Dames en heren,
Helemaal achterin het vriesvak lag het inmiddels, maar speciaal voor
deze gelegenheid heb ik het pakketje maar eens ontdooid. Het was in 1996 dat de
vergevorderde plannen om van taalkunde een schoolvak te maken de diepvries ingingen. Om
voor mij volkomen duistere redenen.
Toen al het ijs verdwenen was, begreep ik het nog steeds niet. Alle
voordelen van taalkunde-als-schoolvak lagen er nog even fris bij. Terwijl de
ontwikkelingen van de laatste jaren hooguit nieuwe argumenten opleveren om zo'n vak
razendsnel in te voeren.
Laat me u schetsen waarom. Eerst maar even wat zaken die
goedgeconserveerd bleken te zijn. Het stralende middelpunt is nog altijd het menselijk
taalvermogen. Dat is in die jaren gelukkig helemaal intact gebleven. Nog steeds komen
leerlingen dus de school binnen met een grote schatkist onder hun arm: een verbluffende
hoeveelheid taalkennis. Gratis en voor niks opgedaan nog voor ze zelfs maar leerden
schrijven en lezen, en een onuitputtelijke bron voor de taalkundedocent. Die met zijn
werkzaamheden alle leraren die een taal onderwijzen grote diensten kan bewijzen. Daarom
moet hij (jaja, of zij natuurlijk) er ook gauw mee beginnen. Meteen in de eerste klas, en
niet pas als leerlingen in dat vermaledijde studiehuis komen dat ze nu toch alweer willen
afbreken. Het vreemde-talenonderwijs begint direct, dus moet er meteen een taalkundeleraar
beginnen om simpele basisdingen te vertellen. Zoals dat er een beperkte hoeveelheid
ingrediënten en een beperkte hoeveelheid bouwprincipes is waaruit talen kunnen bestaan.
Neem de spraakklanken: van de pakweg honderd in de wereld heeft een
leerling die Nederlands spreekt er meteen al zo'n veertig helemaal onder de knie. Een
sterke uitgangspositie, die bijvoorbeeld goed kan dienen om uit te leggen dat in het
Nederlands een d aan het eind van een woord
weliswaar consequent klinkt als een t, maar dat
dat niet altijd zo hoeft te zijn. In het Engels gebeurt het niet.
Hadden ze me dat verteld op school, dan was mijn uitspraak veel
eerder ontnederlandst. En had ik toen gehoord dat zinnen wel bestaan uit woorden, maar dat
die woorden op posities staan, dan was ter plekke het raadsel ontsluierd van waar nou toch
het Engelse werkwoord thuishoorde. Ik snapte er niks van hoe het kon dat het het ene
moment was als in het Nederlands, maar dan ineens weer niet, en deed er dus maar een gooi
naar.
Zo zijn er talloze dingen die een paar stevige handvaten bieden bij
het leren van vreemde talen. De Fransen zijn misschien wel gekke jongens, maar als je
eenmaal begrijpt dat ze vaak de omgekeerde volgorde gebruiken van wat wij toevallig gewend
zijn ('leidingwater' is bij hen 'waterleiding' en omgekeerd, en 'gele trui' is 'trui
geel') dan wordt zo'n taal heel wat minder ongrijpbaar. Het zijn variaties op een thema.
Waarbij bijvoorbeeld de variatie die het Nederlands is verdacht veel lijkt op het Duits,
aan de hand waarvan je trouwens ook wat dingen uit het Latijn toegankelijk kunt maken. En
dit is nog maar een kleine greep van alles wat je, uitgaande van de kennis van het
Nederlands die de leerlingen al hebben, inzichtelijker en daardoor makkelijker kunt maken.
Maar niet alleen alle talen zijn gebaat bij een vak taalkunde. Wie
inzicht heeft verworven in zinsstructuren in verschillende talen, snapt ineens iets van
hiërarchieën en afhankelijkheden. Ideaal voor bijvoorbeeld de wiskundeles, maar niet
minder voor het maatschappelijk leven. Ik zweer dat ik door de taalkunde
organisatiestructuren beter en eerder doorgrond. En het helpt ook enorm om de weg te
vinden op een computer en op het internet. Voor mij is het allemaal geen ondoordringbaar
bos, maar ik zie juist overal dezelfde bomen waarin je zinnen weer kunt geven.
Directory-structuren lijken op grammaticale boomstructuren.
Of neem programmeren. Ooit volgde ik een cursus programmeren in
Pascal en ik beet mijn tanden stuk op het begrip recursie. Recursie is een fenomeen dat op
allerlei plaatsen opduikt, van fractals
tot
in menselijke taal. Aan de hand van
bijvoorbeeld een in een zin ingebedde zin kun je leerlingen laten zien dat ze het trucje
dat achter recursie zit allang kennen en perfect uitvoeren. Taal is iedereen vertrouwd,
van daaruit de stap maken naar abstracte zaken uit de wiskunde of de informatica zal voor
velen makkelijker zijn.
Nog een voordeel van taalkundelessen dat recht overeind is blijven
staan, is dat je er een aardiger mens van kunt worden. Wanneer iemand weet hoe ingenieus
het taalsysteem is waar hij zelf moeiteloos mee werkt, hoe verfijnd zijn kennis is, hoe
razendsnel hij taal verwerkt en produceert, zal hij vanzelf meer begrip kunnen opbrengen
voor degenen bij wie er om de een of andere reden iets hapert. Bij die klasgenootjes met
dyslexie bijvoorbeeld, of de stotteraar van het stel. Ook opa's en oma's en andere leden
van de snel vergrijzende samenleving die getroffen zijn door afasie, of
woordvindingsmoeilijkheden hebben die samenhangen met dementie kunnen vast op meer geduld
rekenen als de jeugd gewezen is op de complexiteit van wat ze zelf voor lief nemen: vrijwel altijd precies kunnen zeggen wat je
bedacht had te willen zeggen, moeiteloos snappen wat er tegen jou gezegd wordt.
Of neem de doven, dat wil zeggen degenen onder hen die doof geboren
zijn of het al snel daarna werden. Als die proberen te praten klinkt dat in
niet-geïnformeerde horende oren vaak of ze niet helemaal goed bij hun hoofd zijn.
Horenden schrikken van dat geluid. Maar zou dat niet veel minder het geval zijn wanneer ze
op school bij taalkundeles allemaal geleerd hadden dat doven over de hele wereld het
springlevende bewijs vormen van de immense kracht van het menselijk taalvermogen? Want
iedere dovengemeenschap blijkt in de praktijk botweg via een ander kanaal een complete, in
alle relevante opzichten vergelijkbare taal te ontwikkelen: dat zijn de vele gebarentalen
die er bestaan.
Dan zijn er de buitenlanders, en de Surinamers. De Turkse bakker op
de hoek of op tv zegt dingen als 'Hij ziek' . Wie wel eens gehoord heeft dat het Turks,
net als nog een heleboel andere talen, geen koppelwerkwoorden heeft, denkt minder gauw
'wat een kromtaal'. Een les over de intrigerende manier waarop in het Turks de bouwstenen
uit de taaldoos aan elkaar geplakt kunnen worden zal de waardering voor het gebroken
Nederlands van veel Turken doen groeien. Want het Nederlands en het Turks komen duidelijk
uit verschillende taalfamilies. En zou het imago van de Marokkaanse jongeren niet
opknappen als iedereen op school eens te zien kreeg hoe knap die jeugd aldoor tussen twee
talen switcht? Surinamers spreken dikwijls een creolentaal, waar een zeer boeiende en ook
gruwelijke geschiedenis aan vast zit. Die kennen brengt de cultuur van Surinamers
dichterbij.
Allemaal al lang bestaande redenen om in elke school taalkundeles te
gaan geven. De voorbeelden zijn naar believen
nog heel lang uit te breiden, maar er zijn ook nieuwe aanleidingen.
Nieuw is bijvoorbeeld de algehele somberte in het onderwijs. De
werkdruk van zowel leraren als leerlingen is groot, klagen ze. Maar zwaar vinden we over
het algemeen dat wat we niet leuk vinden. En niks lijkt me zo mooi als taalkunde geven.
Dat betekent complimenten uitdelen, heerlijk. Als taalkundedocent kun je je leerlingen
laten zien hoe knap ze zijn. Ze weten namelijk niet wat ze weten, om nog even een variant
aan te halen op de titel die Wim Klooster ooit bedacht voor een schoolmethode.
En ze weten onnoemelijk veel. Dat 'ik begrijp er een snars van' raar
is, dat in 'zij' en 'Marietje' nooit dezelfde persoon kunnen zijn in het zinnetje 'Zij
hoorde dat Marietje een bad nam', dat 'de vek blakt de mukken' wel Nederlands zou kunnen
zijn, maar 'De blakt vek mukken de' niet. En nog veel meer aan de hand waarvan je direct
inzicht kunt geven in het taalsysteem dat ze tot in de puntjes beheersen. Ook voor
leerlingen moet het fantastisch zijn te vernemen dat ze ergens waanzinnig goed in zijn.
Zelfs in wiskunde, want bij taal komt heel wat onbewust rekenwerk kijken.
Maar taalkundeles is ook sterke-verhalenles. Over de wolvenkinderen
Amala en Kamala, over het meisje Genie dat opgesloten zat en tegen wie tot haar dertiende
nooit gesproken werd, over de pogingen om apen taal te leren, over de Engelse Christopher
met een IQ van veertig die nog niet eens zijn eigen jas kan dichtknopen, maar wel meer dan
twintig talen opmerkelijk goed beheerst, over Patricia Neal, de vrouw van Roald Dahl, die
een hersenbloeding kreeg en niets meer kon zeggen, maar met veel trainen toch weer leerde
praten. Schitterend en ook nog leerzaam materiaal waarbij leerlingen aan de lippen kunnen
hangen van hun leraar.
Veel verhalen over hersenen dus ook. Over waar taal wel niet allemaal
zit, behalve links boven je oor, en hoe je dat kan zien. Over dat je grappen niet meer
snapt, en alles letterlijk neemt als er op een plekje rechts in je hersenschors een
beschadiging is opgetreden, over hoe kapotte amandelkernen (gebiedjes middenin je hersens)
maken dat ook je concepten van dieren en planten stuk gaan, zodat je bijvoorbeeld gaat
denken dat een schildpad de grootte van een olifant heeft.
Er is natuurlijk inmiddels ook veel nieuw onderzoek, juist op dit
gebied. Zo is nog maar kort bekend dat een tweede taal een eigen, aanwijsbaar afgezonderd
stukje van de hersenen 'krijgt' wanneer je die vreemde taal pas later leert, terwijl
tweetalig grootworden (en dat doen steeds meer leerlingen) betekent dat die talen samen
een en hetzelfde gebiedje in beslag nemen. Wat dat wil zeggen is weer de vraag, het zijn
intussen wel stuk voor stuk spannende verhalen.
Nieuw is ook de alomtegenwoordigheid van het internet, dat
bijvoorbeeld vol automatische vertaalprogramma's zit. Laat leerlingen eens wat tekst door
die gehaktmolens gooien. Kijk wat eruit komt, lach mee, en toon daarmee opnieuw aan hoe
waanzinnig knap wij mensen zijn.
Maar er is meer dat je aan het gebrek aan motivatie kunt doen:
leerlingen moeten niks hebben van dure gedichten of Literatuur met een hele grote L?
Probeer eens een andere invalshoek. Dichters breken sommige regels, doen als het ware een beroep op onze onbewuste
kennis. Laat dat zien. Hoe een woord klinkt
is in principe puur toeval. Maar een dichter maakt daar een gelukkig toeval van. Hij
speelt met het systeem, knabbelt aan de randjes daarvan. Neem eens een Sinterklaasgedicht
en laat leerlingen daar bloedserieus naar kijken. Wat gebeurt daar nu eigenlijk? Of pak
een mooie dialoog, en kijk hoe dat in zijn werk gaat. Hoeveel er impliciet blijft, niet
letterlijk wordt uitgesproken, bijvoorbeeld. En hoe de 'beurten' wisselen. Leerlingen die
enig gevoel hebben gekregen voor het spel met woordvolgordes en betekenissen dat
schrijvers spelen, krijgen allicht meer lol in lezen.
Nieuw is intussen ook de klacht dat er voor de leraar Nederlands te
weinig uren over zijn om iets moois in te doen. Wel, taalkunde zal dikwijls door
Neerlandici gegeven worden, en die hebben echt alle reden om elders uren te halen. Bij de
vreemde talen, die er uitsluitend profijt van zullen hebben. Maar ook bij wiskunde, bij
biologie, bij geschiedenis valt er op goede gronden wat tijd af te knabbelen.
En er gaat nu onevenredig veel heen aan taalvaardigheidonderwijs? Dat
is ook weer het mooie van taalkundelessen: die maken dat je daar minder van nodig hebt.
Als je bijvoorbeeld wel eens uitvoerig gewezen bent op de mogelijkheden en onmogelijkheden
van verwijswoorden, en wat verder nog meer op wat kan terugslaan, dan maak je daar in een
volgend opstel of werkstuk (ook voor andere vakken!) minder gauw een fout mee. Sowieso is
gezien hebben hoe machtig het instrument is dat je met taal zomaar gratis in handen hebt
gekregen, en hoe goed je erin bent een stimulans om meer en beter te schrijven, lezen,
discussiëren.
Enfin. Ook uit de nieuwe redenen om taalkunde onmiddellijk in te
voeren op elke school is dit maar een greep. En ook hier zijn nog veel meer voorbeelden
ter invulling bij te verzinnen. Laat uw eigen fantasie er maar eens op los. Echt,
taalkundeles is de ideale combinatie van nuttig en leuk.
Deze dag moet een vervolg krijgen? Dat lijkt me geen punt. Om te
beginnen: laten we dat plannenpakketje nou niet opnieuw invriezen. Daar wordt niets ooit
lekkerder van. Verder zit er maar een ding op: laat van u horen! Maak trammelant. Bestook
de kranten met brieven en stukken, bel radio- en tv-redacties plat. Een smeekschrift voor
Karin Adelmund moet zo op te stellen zijn. Of een mooi ouderwets heftig pamflet. En dan,
bij wijze van ondersteuning, allemaal naar het Binnenhof en massaal gelijktijdig uit veler
kelen een bede tot haar richten: Oh, goede mevrouw
Adelmund die in de regering zijt, laat ons toch vanaf heden ons dagelijks brood met meer
plezier verdienen. Geef ons een vak taalkunde! |