| Vakgenoten, Toen in de voorbereiding op het studiehuis - in 1997,
1998 - in diverse kwaliteitsbladen een discussie ontstond over het literatuuronderwijs van
de toekomst, heb ik in NRC-Handelsblad die vrees voor verloedering van het
literatuuronderwijs voorbarig genoemd . We moesten 't maar afwachten, vond ik, of die
vrees voor verloedering gerechtvaardigd was. En nu vraag ik mij drie jaar later af of het
ideaal van het literatuuronderwijs dat ik vanaf 1980 koesterde en waaraan ik vele jaren
meewerkte een illusie dreigt te worden. Uit de vraag spreekt vrees. Is die terecht?
Een lezers- en leerlinggerichte didactiek
Ik mag u er misschien aan herinneren, beste vakgenoten, onverschillig of we voor of tegen
vernieuwing zijn, dat de toestand van het literatuuronderwijs vóór de invoering van de
tweede fase zonder meer zorgelijk was. Wat de lessen zelf betreft was het al decennia lang
klagen over aard, omvang en toepassing van de lijst. Herinner u de befaamde VN-enquête
van Johan Pfaff en Gerard van Westerloo uit 1972: 'Lektuur voor de lol en lezen voor de
Lijst', in 1978 gevolgd door een vergelijkbare enquête van Willem Jan Otten en Marijke
Hilhorst. Denk aan de jaarlijkse rondetafelgesprekken, zoals vastgelegd in onze
kwaliteitskranten, met als thema 'Dwang vergalt het leesplezier'.
In 1980 schreef ik daarom, na dertien jaar onderwijs aan leerlingen van gymnsasium en mms
en zes jaar lerarenopleiding nieuwe stijl, in het tijdschrift voor moedertaalonderwijs
MOER een stuk over de steeds grotere verwijdering van literatuurwetenschap en
literatuuronderwijs onder de titel 'Overal kloven, hier en daar een vlonder'. Men was net
van het primaat van de tekstanalyse van omstreeks 1970 (Maatje!) aan het overstappen op
het primaat van de lezer, de receptie-esthetica volgens Jauss en de
literatuurpsychologische lijn waarvoor eind jaren zestig door Holland en halverwege de
jaren zeventig door Bleich het ontwikkelingswerk werd verricht. Dat sprak mij aan, in een
tijd dat de motivatieproblemen in het onderwijs enorm toenamen. 'The passion precedes the
knowledge', schreef Bleich. Eerst de hartstocht voor literatuur ontwikkelen, zo besloot
ik, dan de kennis ervan. Dat werd mijn lijfregel en uitgangspunt voor bijna twintig jaar
literatuurdidactisch werk.
Het voortgezet onderwijs volgt paradigmawissels als in de literatuurwetenschap omstreeks
1970 en 1980 na het nodige uitstel en zelden of nooit exclusief zoals in de wetenschap.
Vandaar dat de historisch-biografische methode naast de tekstanalytische bleef bestaan, Indringend lezen van Drop naast Nederlandse
literatuur van Dautzenberg en voor een lezersgerichte methode voorlopig die van
Segers . En terecht, lijkt me. In elk geval was voor het literatuuronderwijs van geweldig
belang dat de leraren - niet alleen Nederlands maar ook andere talen - een eclectisch
model konden gaan hanteren waarin alle nuttige eigenschappen van de verschillende
wetenschappelijke gezichtspunten zouden getoetst worden op hun vermogen leerlingen te
motiveren voor de literatuur.
Mijn conclusie was dat we een onderwijs moesten krijgen waarin de leerling serieus genomen
werd, waarin literatuur werd aangeboden die bij zijn of haar leeftijd paste en waarin een
historisch kader zou worden aangeboden dat toereikend was voor de gelezen of te lezen
lectuur. Essentieel leek mij dat een leerling al lezende zelfrespect moest krijgen, dat
hij de techniek moest verwerven om zich een gedicht, een gedichtenbundel, een verhaal en
een roman toe te eigenen, en dat hij zinnig en in goed Nederlands over zijn lectuur moest
kunnen schrijven en/of praten. En dat, als we hem niet warm konden krijgen voor enige vorm
van literatuur, dat onderwijs net zo goed afgeschaft zou kunnen worden.
Dat was het uitgangspunt voor het leesdossier.
Essentieel in een onderwijsmodel is dat het flexibiliteit vertoont - niet dat je er alle
kanten mee op moet kunnen, maar je moet aan de hand van de mogelijkheden minstens als
docent keuzes kunnen maken.
Het leesdossier in ontwikkeling
Om greep te krijgen op de complexe materie heeft de afdeling literatuurdidactiek van mijn
universiteit vanaf 1978, samen met de stichting Promotie Literatuuronderwijs (vanaf 1990),
alternatieven gezocht en daarbij steeds de tweedeling voor ogen gehad van leerstof en
leerling. Waar toentertijd de Lijst nog als enig instrument werd gezien en daarmee de
leerstof centraal gesteld, verschoven wij de aandacht naar de ervaringen van de lezende
leerling - niet om daarmee het belang van de leerstof te verkleinen, maar om deze meer
kansen te geven.
Zo ontstond tegenover het tentamen aan de hand van de Lijst het leesdossier, dat de
leerling inzicht zou geven in zijn eigen leeservaringen, vooral met literatuur, en dat
deze in de jaren van de bovenbouw zou samenstellen.
Kan men de ontwikkeling van leesstrategieën benoemen als de ontwikkeling van
vaardigheden, veel meer nog streefden we met de invoering van een leesdossier de
ontwikkeling van inzicht na. Inzicht in de eigen kennis van
wat gelezen kan worden, inzicht vooral in datgene wat je zelf gelezen hebt, waarom keuzes
zus of zo zijn uitgevallen, waar hoogtepunten en dieptepunten in de leescarrière hun
plaats hadden. Daarvoor met name bepleitte ik het schrijven van een leesautobiografie,
in principe éénmalig, bijvoorbeeld in klas 4.
Dat pleidooi lijkt gewonnen, maar het kan alsnog verloren worden, wanneer men dit idee te
pas en te onpas gebruikt en leerlingen in elke nieuwe klas zo'n leesautobiografie moeten
schrijven. Eén keer is de bedoeling en mogelijk tegen de tijd van het eindexamen een
eventuele herschrijving van die leesautobiografie, als alternatief voor een andere
nieuwigheid: het balansverslag. Daarin kijkt een leerling
halverwege het jaar of aan het eind van het jaar terug op wat hij terzake de literatuur
heeft gelezen en geleerd. Voor het eindexamen wordt dan het leesdossier afgesloten met een
eindverslag - of, zoals ik hier suggereer, een nieuwe versie
van de leesautobiografie. Tijdens het tentamen is dan het leesdossier en niet de
literatuurlijst uitgangspunt van het gesprek. Voorwaarde voor het welslagen daarvan is dat
de docent dat leesdossier in zijn ontstaan gevolgd heeft en zich eigen heeft gemaakt.
Voorwaarde is ook dat zo'n leesdossier kan samenvallen met wat men nu een schrijfdossier
is gaan noemen.
Nog steeds in ontwikkeling
Gezegd moet worden dat het leesdossier qua methode nog steeds in ontwikkeling is. Vanaf
1983 hebben we tijdens tweejaarlijkse conferenties kernproblemen als tekstervaring versus
tekstbestudering, historische teksten in de klas, de toetsing van het literatuuronderwijs,
de europeanisering en literaire competentie aan de orde gesteld. De ervaren docent Joop
Dirksen vertaalde in 1995 de opvattingen van Norman Holland naar de situatie van zijn
leerlingen en wel zodanig dat voor hen de literatuur is gaan leven . Daarbij legde hij het
accent vooral op nieuwe werkvormen, die rechtdoen aan het individuele karakter van lezen,
en hij werkte zijn resultaten verder uit in zijn schoolboek Dossier
Lezen. De mediaevist Hubert Slings gaf in 2000 aan bestudering van en ervaring met
oudere teksten zijn aandeel in zijn proefschrift over Middelnederlandse literatuur in het
voortgezet onderwijs . Vakdidacticus Theo Witte achtte ten tijde van de voorbereiding der
tweede fase de tijd rijp om het leesdossier als instrument op te nemen in het
literatuurprogramma voor de bovenbouw. En zo heeft de Vakontwikkelgroep Nederlands - en
niet zij alleen, ook de vakontwikkelgroepen voor de vreemde talen en het nieuwe vak CKV1
toonden belangstelling - het leesdossier in haar opzet een rol van betekenis gegeven.
Het leesdossier is de vinger aan de pols, voor leerling en leraar. Het voorkomt dat alles
neerkomt op dat éne beslissende tentamen en de raadpleging van de uittrekselboeken. Zodra
dat leesdossier een eigen leven ging leiden, docenten zich niet hielden aan de bedoeling,
maar bijvoorbeeld ook allerlei feitjes en van internet te plukken informatie in dat
leesdossier lieten stoppen, begonnen de problemen. In plaats van een vrij opstel, werd de
leesautobiografie op sommige scholen een rijtje vragen, antwoord in een vakje in te
vullen, taalgebruik doet er niet toe, wel makkelijk door de leraar 'na te kijken', 'door
te strepen', 'af te vinken'. Dat was de bedoeling niet.
Een vraag stellen
Uw bestuur maakt zich zodanig zorgen over het moedertaalonderwijs dat zij de minister wil
vragen om een commissie in te stellen zoals de commissie - De Groot bij geschiedenis om de
huidige onderwijspraktijk bij Nederlands door te lichten (en dan, zo hoor ik u impliciet
mompelen, die huidige onderwijspraktijk af te rekenen op een eenzijdig accent op
vaardigheden in plaats van op kennis). Ik vind zo'n voornemen knap voorbarig. Maar ik ben
niet te beroerd om, op het terrein dat mij vertrouwd is: het literatuuronderwijs, na te
gaan of er reden kan zijn om zo'n vraag te stellen. En als bedenker van het leesdossier
ervoer ik in de afgelopen jaren een groeiende benauwenis over de zinvolle toepasbaarheid
ervan. Na de proclamatie van het leesdossier als didactisch instrument halverwege de jaren
tachtig is tien jaar later met de invoering van het studiehuis het ene na het andere vak
tot wiskunde toe, van leerlingen gaan eisen dat zij een...dossier gingen aanleggen. En ook
binnen het vak Nederlands werd naast het leesdossier een schrijfdossier ingevoerd zonder
enige relatie met het leesdossier. (Zijn we nog wel vakgenoten, vraag je je dan af...)
Herhaling van didactische concepten is de dood in de pot, overbelasting komt rustige
reflectie op het gelezene niet ten goede.
Aan oud-studenten en collegae-didactici heb ik mijn benauwenis voorgelegd. Hierbij een
paar reacties en mijn conclusie uit hetgeen zij mij zo vriendelijk waren mee te delen.
Gemengde ervaringen met het leesdossier
Aangaande de hantering van het leesdossier meldt Yvonne Elshout, docente aan het
Elzendaalcollege in Boxmeer, dat zolang zij en haar collega's het leesdossier - ten
onrechte - hanteerden als een soort literatuurlijst, waarvan alle boeken tijdens het
examen gekend moesten zijn, de formule absoluut niet werkte. Vandaar dat er nu geprobeerd
wordt om het dossier zelf als uitgangspunt voor het examen te nemen: 'zo krijgen we
wellicht meer zicht op de leesontwikkeling van de leerling'. Maar de docente heeft haar
skepsis: 'de leerlingen die graag lezen blijven consciëntieus hun dossieropdrachten maken
en leveren kwaliteit; de trage en slechte, ongemotiveerde lezers blijven hun boeken op
dunheid kiezen en doen braaf wat er verwacht wordt: leeservaring beschrijven en motiveren
waarom nu juist dit boek gekozen is'. Uiteindelijk vindt ze het dossier een verbetering
want 'alles op het laatste moment laten aankomen is niet meer aan de orde', het dossier is
een tastbaar iets en 'in het beste geval is er bij de leerlingen meer inzicht gegroeid in
eigen leesontwikkeling en leesvoorkeur'.
Een andere docente, Tracy van Poppel, die in het tijdschrift Tsjip,
tijdschrift voor literaire vorming, in 1994 en 1996 secuur verslag deed van de vorderingen
met het leesdossier in haar vak, Frans, schrijft: 'Ik zag met pijn in het hart alle
dossiers bij andere vakken opkomen en daardoor het plezier voor mijn leerlingen en mijzelf
verdwijnen.' Onderlinge afstemming ho maar! En sprekend over een reeks motiverende
activiteiten met literatuur in de klas, die lekker liepen zolang het studiehuis nog niet
was opgezet, verzucht ze: 'Leerlingen kwamen echt in gesprek met elkaar over hun
ervaringen met literatuur, maar het ging mis door de organisatie: werk niet af, andere
opdrachten die voorgaan, overal verslagen voor maken etcetera'
Positieve ervaringen
Cor Geljon, die didacticus, lerarenopleider én docent is, constateert dat er op veel
plaatsen goed gewerkt wordt met het leesdossier: 'ik spreek gelukkig nog vaak enthousiaste
docenten ("eindelijk een zinvol gesprek over literatuur!"). Ook leerlingen
getuigen nog steeds van hun positieve ervaringen, omdat ze met een goed leesdossier veel
materiaal in hun mars hebben en dat geeft hen extra zelfvertrouwen om een mondeling
literatuur binnen te stappen: je wéét immers waar je het over gaat hebben. De pest voor
het leesdossier is de manier waarop leraren er soms mee omgaan: veel te veel schrijfwerk,
obligate leesverslagen, toch weer honderd en een analytische vraagjes beantwoorden bij
IEDER boek in plaats van daar variatie in aan te brengen (dus ook veel nakijkwerk).
'Liever vier goede boekevaluaties waar je met plezier aan gewerkt hebt dan elf beantwoorde
vragenlijsten.' Ook docent en onderzoeker Joop Dirksen, die zich al vanaf 1987 heeft doen
kennen als een zeer geïnteresseerde vernieuwer van het literatuuronderwijs en als geen
ander de vigerende jeugdcultuur in zijn pedagogische opvattingen verwerkt, acht al te
grote zorg over de toepassing van het leesdossier misplaatst. Hij is, in tegenstelling tot
velen van u, absoluut niet rouwig om het loslaten van de literatuurgeschiedenis als basis
voor de literaire vorming. 'Een moderne tekst geeft leerlingen de ruimte om er op hun
eigen individuele wijze op te reageren - wat overigens heel natuurlijk is en ook de
bedoeling van het omgaan met literatuur van nu'. Zijn ervaring wordt door veel mensen uit
de praktijk gedeeld, maar Dirksen weet ook dat veel andere docenten het bij het oude
houden: 'De tijden zijn veranderd, de zeden zijn veranderd, het traditionele
literatuuronderwijs dreigt te blijven. Wat een gemiste kans!'
Het meest vernieuwende onderdeel
Leraren Nederlands en CKV1 hebben naar de waarneming van de Groninger didacticus Theo
Witte het leesdossier duidelijk geaccepteerd als instrument voor de ontwikkeling van de
persoonlijke smaak in literatuur en kunst. De moderne talen hadden daar minder mee en
hielden vast aan hun eigen idee om de leerlingen van de werken die ze hadden gelezen een
beargumenteerde top-3 te laten aanleggen. Maar het dossier is terecht gekomen in de
programma's van alle talen en CKV1 en ondanks de ontsnappingsclausule die staassecretaris
Adelmund na de scholierenstaking in 1999 de docenten heeft geboden, is het leesdossier op
de meeste scholen in een of andere vorm ingevoerd én in 2000 en 2001 gecontinueerd. Het
hóeft namelijk niet. Men neemt de implementatieproblemen voor lief en beschouwt het
leesdossier als het meest vernieuwende onderdeel van het nieuwe curriculum.
Noodzakelijke verbeteringen
Maar er kan veel verbeterd worden. Met steun van Witte zet ik ze hier op een rijtje.
- Het onderdeel taalvaardigheid staat ten onrechte los van het leesdossier - en dat
terwijl ik altijd voor ogen heb gehad dat juist het leesdossier allerlei onderdelen zou
bevatten waarmee de taalvaardigheid gediend zou zijn: leesautobiografie,
eindbalansverslag, boekrecensie lijken mij daar uitstekend voor geschikt. Binnen
Nederlands zouden schrijfdossier en leesdossier één moeten worden.
- Literatuur is bij Moderne Vreemde Talen met 40 studiebelastingsuren bij havo en 80 bij
vwo per vak te klein gebleken om bevredigende resultaten te boeken - slechts in de helft
van de scholen werken docenten Nederlands en vreemde talen samen - De vrees bestaat dat
literatuur, eenmaal achter de streep gekomen, eenvoudig niet meer meetelt, zodat er voor
de leraar Nederlands niet veel meer samen te werken valt.
- Wat de lespraktijk betreft schieten in de keuze van de verwerkingsopdrachten zowel
docenten als leerlingen tekort; docenten omdat ze die opdrachten vaak te gemakkelijk
maken, en bijvoorbeeld geen tekstafhankelijke opdracht durven geven - misverstand omtrent
het leesdossier! -, te weinig variëren, niet altijd een duidelijk leerdoel voor ogen
hebben en de sleutelopdrachten (zoals de leesautobiografie en de balansverslagen) te
weinig kritisch waarderen; leerlingen wanneer ze zich er met een jantje-van-leiden vanaf
kunnen maken.
- Een kardinale vergissing maken docenten die menen dat ze nu als docenten geen les meer
mogen geven, hun inzichten overdragen, kennis van de literatuur als geheel, discussies
uitlokken naar aanleiding van informatie over boeken. Laat los die waangedachte en geef
ook ex cathedra op een interactieve manier les, zoals we dat van onze beste leraren
vroeger gewend waren.
- Docenten hebben vaak moeite om leerlingen individueel te bejegenen en om recht te doen
aan de verschillen tussen leerlingen en hun belangstelling voor bepaalde verhalen /
boeken. Oorzaak: een docent in de bovenbouw heeft soms meer dan 200 leerlingen om te
begeleiden. Is het gek dat je je, bij zo'n leerlingenaantal, beperkt tot het zogenaamde
'afvinken' - en daarmee een essentieel element van het leesdossier als instrument voor de
smaakontwikkeling van de leerling gewoon kwijt raakt? Nog een nadeel voor de
leerlingbegeleiding is het gebrek aan continuiteit, doordat meestal de docent niet meegaat
met zijn klassen. Het zou aanzienlijk in werk schelen als hier de schoolorganisatie
rekening mee hield.
- De correctielast is te zwaar: de enorme hoeveelheid leesverslagen moet drastisch worden
teruggedrongen: beter, zoals Geljon opmerkt, een kwartet goed uitgewerkte verslagen dan
een dozijn met moeite van elkaar of internet overgeschreven stukken, zoals sommige
docenten volgens de nieuwe regels verplicht achten.
- Evenzeer moet de docent vechten tegen de fraude. Dat is niets nieuws. Het gebeurde bij
het lezen voor de lijst, het gebeurt ook hier, en via internet worden zowel secundaire
teksten in het leesverslag gepropt als - en dat is bezwaarlijker - persoonlijke meningen.
Volgens mijn zegslieden vallen deze leerlingen overigens bij het tentamen aan de hand van
het leesdossier door de mand.
- Twee problemen ten slotte die de docenten mogen doorspelen naar de didactici: ten eerste
is er nog onvoldoende variatie in en kennis van verwerkingsopdrachten die passen binnen de
leerling- / lezersgerichte benadering; waar komen ze het beste tot hun recht? wat leveren
ze op? en nog fundamenteler: niemand weet precies hoe je de literaire competentie van
leerlingen van 15 tot 19 jaar kunt ontwikkelen. Witte werkt aan een onderzoek naar de
factoren die de ontwikkeling van literaire competentie stimuleren ofwel frustreren.
Het antwoord op een vraag
Wezenlijk lijkt mij dit. De meeste docenten én leerlingen accepteren het leesdossier. Van
een groep van dertig ad random gekozen leerlingen van zes verschillende scholen, staan er
28 positief ten opzichte van het leesdossier, 2 afwijzend, en dat is bijzonder weinig.
Waarom zijn ze positief? Met name omdat ze het leesdossier als echt iets van henzelf
ervaren. Van een grotere groep (zes hele klassen zesdeklas vwo) zal 85 % het dossier na
het examen bewaren en raadplegen.
Tenslotte: mijn vrees voor de verloedering van het literatuuronderwijs en in het bijzonder
van het leesdossier dat in 1994 als didactisch voertuig voor dat onderwijs is gekozen,
berustte op de informatie dat voor allerlei vakken dossiers aangelegd moesten worden. Mij
is duidelijk gemaakt dat die vrees niet helemaal maar wel grotendeels ongegrond is, omdat
het leesdossier qua karakter veel reflectiever is dan de overige dossiers.
Witte en ik zijn het volledig eens over de opvatting dat een leerling gek wordt van
leesdossier en kunstdossier (bij CKV1) als er op de scholen geen beleid op wordt gezet.
Alleen al de veelheid van namen is tekenend voor de situatie: 'portfolio' bij
Engels,'leesmapje' bij Frans, 'literatuurdossier' bij Duits, 'fictiedossier' in het vmbo
en bij ons dan 'leesdossier', en erger: een leesautobiografie schrijven voor ieder van die
vakken, en dat niet één keer in de tweede fase, maar meerdere malen, met bij ieder vak
weer andere instructie over wat er precies verwacht wordt. Dat is gewoon slechte
bedrijfsvoering, en zoals ik bij een andere gelegenheid al heb gezegd: neerlandici, neem
het voortouw, houdt het en ruim de rotzooi op. Dat scheelt veel, misschien wel alles.
|