Toen mevrouw Netelenbos, nu al weer ruim 5 jaar geleden,
besloot aan het rapport van de Commissie Vernieuwing Examenprogramma Nederlands, alias de
commissie Braet, geen gevolg te geven en integendeel wijzigingen aanbracht die juist
ingingen tegen de voorstellen van die commissie, gaf ze het zoveelste bewijs van haar
politieke feeling en tegelijk demonstreerde ze dat een politicus op het terrein waar hij
beslissingen neemt, niet deskundig behoeft te zijn. Als je naar leraren luistert,
verandert er nooit iets heeft ze toen gezegd. En Die zijn zeker bang om hun baan te
verliezen. Een opmerking die wel door de tijd achterhaald is, mogen we wel zeggen.
Voor het schoolvak Nederlands betekende haar ingrijpen onder meer dat het nieuwe
onderdeeltje taalkunde gesmoord werd met het argument: taalkunde hoeft niet want er is al
taalvaardigheid. Alsof er geen hemelsbreed verschil is de tussen die twee. Taalvaardigheid
houdt zich immers bezig met de training in bijvoorbeeld het houden of schrijven van een
betoog en het analyseren van argumentatieve teksten. De taalkunde bestudeert de taal zelf:
hoe zitten onze zinnen in elkaar, hoeveel spraakklanken heeft het Nederlands? Welke
dialecten zijn er. Hoe en wanneer is het ABN ontstaan? Wat is dyslexie? Waar komen onze
woorden vandaan? Maar taalkunde ontbreekt dus geheel in onderwijs dat nog steeds genoemd
wordt Voorbereidend Wetenschappelijk Onderwijs.
De inperking van de bestaande onderdelen, letterkunde en letterkundegeschiedenis, plaatste
die vakken op een lager plan dan de vaardigheden die daarentegen ingevoerd of uitgebreid
werden. Niet alleen in de toegemeten lestijd, maar ook doordat ze ontbreken in het
centraal examenprogramma. Hoe belangrijk de vaardigheden ook zijn, hun belang erken ik
zonder meer, we hadden nooit mogen toestaan dat het centrale vak Nederlandse taal en
letterkunde er aan opgeofferd werd. Ik zeg uitdrukkelijk wij, want de universiteit, die ik
min of meer vertegenwoordig, heeft er zich tot op heden weinig aan gelegen laten liggen
hoe in het middelbaar onderwijs het schoolvak Nederlands er uit ziet. Alleen de
taalkundigen klagen wel eens, want die moeten de studenten zelfs nog de allereerste
beginselen van het ontleden bijbrengen, in uren die ze liever aan taalkunde-onderwijs
zouden besteden.
De LVVN meent dus dat er een nieuwe poging gedaan moet worden om van het vak Nederlands
weer Nederlands te maken. Daarbij spelen de volgende overwegingen een rol. Dat
vaardigheden een belangrijk onderdeel van het schoolprogramma moeten blijven vormen, is
een uitgemaakte zaak. De recente demografische ontwikkelingen in Nederland laten daar al
helemaal geen twijfel over bestaan. Maar waar te weinig aan gedacht wordt, is dat juist de
binnenkomst van zoveel andere culturen, het des te noodzakelijker maakt om de eigen
Nederlandse cultuur veilig te stellen en hoog te houden, willen wij ooit uitgroeien tot
een harmonieuze samenleving. En meer dan iets anders zijn toch de Nederlandse taal en de
Nederlandse letterkunde de pijlers van onze cultuur, de taal waarin we ons uitdrukken en
de literatuur die ons denken en voelen registreert.
Dan is er de illusie dat iemand die over voldoende vaardigheden beschikt zich alleen
daarmee al tot een intellectueel kan ontwikkelen. De historicus Piet de Rooy kan het zo
mooi zeggen: met kennis zonder vaardigheden doe je weinig, maar vaardigheden zonder kennis
zijn leeg. Of, zoals ik laatst op een poster las: het praat zoveel makkelijker als u wat
te vertellen hebt. Dit advies was gericht tot ouders, maar het wordt hoog tijd dat wij dat
hun kinderen ook weer gaan inprenten. Niemand maakt me wijs dat een allochtone leerling
die over dezelfde vaardigheden heeft leren beschikken als zijn Nederlandse collega, dan
ook dezelfde kansen en mogelijkheden heeft om in onze maatschappij te functioneren en te
slagen. Een allochtone scholier begint steeds met een kennisachterstand die met geen
vaardigheid is in te lopen omdat hij de handreikingen mist die een Nederlandse scholier
overal vandaan kan krijgen. Als er één categorie scholieren is waarvoor naast die
vaardigheden, een kennispakket van wezenlijk belang is dan is het deze wel. En anderzijds
zou het wel eens deze groep kunnen zijn van wie wij de wil en de juiste dispositie kunnen
verwachten als het gaat om het behoeden van ons geestelijk erfgoed.
Ander aspect. We praten hier over schoolverlaters die onze toekomstige intellectuelen gaan
vormen, onze cultuurdragers. Zou er wel één land zijn waar kennis van de eigen
letterkundegeschiedenis geen kerndoel is en dus blijkbaar geen deel hoeft uit te maken van
de intellectuele vorming? Is het niet raar dat eerstejaars studenten Nederlands uit St.
Petersburg of Moskou meer van onze letterkunde afweten dan onze eindexamenkandidaten vwo
en dat ze meestal nog beter te verstaan zijn ook? In Nederland moet je niet verbaasd staan
als een eerstejaars studente al een half jaar colleges loopt in het gebouw aan de
Spuistraat te Amsterdam en nog niet weet en kennelijk ook niet wil weten, wie de P.C.
Hooft is naar wie dat gebouw genoemd is. Maar misschien heeft ze het ondertussen leren
opzoeken.
Is het ook niet vreemd dat we van scholieren wel verwachten dat ze iets of zelfs veel van
de anatomie en de werking van de menselijk organismen afweten, maar niets over wezen en
waarde van hun moedertaal, het studie-object van de taalkunde? Alsof de taal niet alleen
gans het volk is, maar ook een venster biedt op de werking van ons brein? En alsof het
bestuderen van de systematiek van onze taal niet tot fascinerende ontdekkingen leidt.
Bijvoorbeeld dat we van dat systeem ontzettend veel weten zonder dat we het beseffen en
zonder dat iemand ons dat verteld heeft. Dat iedereen ik heb het
boek haar gegeven minder goed vindt dan ik heb haar het boek
gegeven. En wat met dit ogenschijnlijk simpele feit allemaal samenhangt. En
waardoor kinderen en alle Westbrabanders moeite hebben met wesp,
gesp, enzovoorts.
Hoeveel sommige beleidsmakers ook op hebben met de Nederlandse letterkunde en welke plaats
ze die toedenken in de toekomst, bleek toen ik zeer onlangs hoorde van plannen, het is nog
maar een discussiestuk, maar u weet hoe gevaarlijk die zijn, van plannen dus om in
bepaalde domeinen als eindcijfer te nemen het gemiddelde van de vakken gymnastiek,
natuurkunde en literatuur, niet de Nederlandse literatuur want die bestaat daar niet, maar
gewoon algemeen literatuur. Je mocht voor de onderdelen onvoldoende hebben als het
gemiddelde maar minstens 5,5 was. Dat is toch verbijsterend. En laten de docenten dat dan
weer maar gebeuren? Of staan ze er zelfs achter?!
Wat zijn wij Neerlandici toch voor lieden dat we zo met ons laten sollen. Dat we anderen
laten bepalen wat de inhoud van ons vak is en hoe we het moeten onderwijzen. Ik zal het u
nog sterker vertellen. De opleiding Nederlandse taal- en letterkunde van onze
universiteiten werd van hoger hand omgedoopt tot Nederlandse taal en
cultuur, terwijl de inhoud van de studie hetzelfde bleef. Net zoals wanneer je een
onderwijzer leraar gaat noemen, met behoud van hetzelfde
salaris. Iedereen protesteerde, de letterkundigen voorop, maar wel heel zachtjes. En nu
staat het gewoon in de studiegids, Nederlandse taal en cultuur.
Er schijnen al buitenlandse studenten te zijn die menen dat je bij ons niet meer de
letterkunde van het eigen land kunt studeren. Nu ja, veel scheelt het niet.
In de laatste halve eeuw is er ook geen verandering doorgevoerd die langer dan tien jaar
stand gehouden heeft. Het lijkt zelfs wel alsof de omloopsnelheid van een hervorming
steeds korter wordt. En dat gaat nu bij het middelbaar onderwijs ook weer gebeuren,
getuige berichten van de laatste maanden betreffende de basisvorming, die al weer anders
moet. Maar er komt nog meer aan.
Onlangs stelde de Onderwijsinspectie vast dat het Studiehuis nog steeds te zwaar is.
Voorstel: een aantal vakken en delen van vakken schrappen. Maar ook inhoudelijk is het
niet in orde met de 2e fase. 'Leerlingen klagen dat zij 'saaie uren' in de klas met hun
opdrachtboeken moeten doorbrengen. Het lijkt erop dat leraren hun didactisch handelen te
eenzijdig toespitsen op een begeleidende rol', zegt de Inspectie. Afgezien van de
formulering, mag ik de opmerking als zodanig met permissie een gotspe
noemen. Welke docent heeft erom gevraagd surveillant te mogen worden? Nog een steek boven
water: veel leraren, zegt de Inspectie, slagen er daarnaast minder goed in om leerlingen
voor hun vak te motiveren. Het werkplezier is daardoor afgenomen. Einde citaat Inspectie.
Maar nu wijs ik op een opvallende parallel, want de overheid slaagt er zelf maar niet in
om ouderen weer voor de klas te krijgen. Zouden die beide zaken ook niet met hetzelfde te
maken kunnen hebben, namelijk met de actuele inhoud van het vak, vraag ik me af. Wie wil
er nu leraar worden als het vak zo saai blijkt te zijn en de leraar onvoldoende
gelegenheid krijgt om je te inspireren? En wie wil er nu opnieuw leraar worden als hij
ziet wat er nog van zijn oude vak overgebleven is? Ik niet in elk geval.
Er is maar één remedie: laten we het schoolvak Nederlands een inhoud geven waarmee de
leraar zijn leerlingen enthousiast kan maken, waar ze thuis over kunnen vertellen. Er is
toch niets leukers dan weetjes te weten en wat is de enorme capaciteit van het geheugen
van jonge mensen daar niet bij uitstek geschikt voor.
Is het dus, gezien deze omstandigheden, niet de hoogste tijd voor een herbezinning op de
onderdelen van het schoolvak? Zo'n herbezinning zou tot het onderzoeken van drie
mogelijkheden kunnen leiden:
- Het eerste wat in gedachte komt is een restauratie van het verleden. Maar in de eerste
plaats zouden de leraren dat in overgrote meerderheid niet accepteren, het zou ook de
vernietiging betekenen van belangrijke verworvenheden.
- Een tussenweg zou zijn: een andere verdeling van de beschikbare uren. Dus minder
vaardigheden, meer kennis van taal en letterkunde. Moeilijk haalbaar, omdat het
'inleveren' betekent, maar redelijk gelet op wat het schoolvak Nederlands door onzalige
ingrepen heeft moeten inleveren.
- Maar wat het beste en wat mij betreft het enige aanvaardbare zou zijn, is het volgende.
Niemand ontkent het belang van de toegevoegde onderdelen vaardigheden', een belang waar
ook andere vakken van profiteren. Is het dan niet logisch dat deze uitbreiding van het vak
omgezet wordt in een uitbreiding van de beschikbare tijd, zodat die niet ten koste gaat
van dat andere kardinale onderdeel, de taal en letterkunde van ons land? Met andere
woorden het schoolvak Nederlandse taal en letterkunde behoort niet alleen naar inhoud maar
ook naar omvang het centrale schoolvak te zijn.
De LVVN bepleit het instellen van een commissie die de wenselijkheid en de
mogelijkheden van herijking van het schoolvak Nederlands gaat onderzoeken. Die commissie
zal er overigens pas komen als we voldoende adhesie voor onze petitie weten te verwerven.
Vandaar onze oproep aan alle secties en docenten Nederlands in het Middelbaar Onderwijs de
petitie te ondertekenen. Laat uw stem horen! Voor de petitie KLIK hier.
Jan Stroop
Afdeling Nederlandse Taalkunde
Universteit van Amsterdam |