Eens in de zoveel tijd kom je altijd wel iemand tegen die zegt: ,,Ik
lees nooit Nederlandse literatuur. De Nederlandse literatuur interesseert me niet, ik lees
alleen maar Engels." Eens in de zoveel tijd is er altijd wel iemand die hardop roept
dat we aan het Nederlands niets missen, of dat de Nederlandse cultuur niet bestaat. Toen
Paul Scheffer schreef dat het, juist nu er zoveel mensen uit andere culturen bij ons zijn
komen wonen, van belang is om trots te zijn op onze eigen cultuur, om die hoog te houden,
om te weten wie we zelf zijn, want met wie of wat moet er anders geïntegreerd worden,
toen waren er natuurlijk ook weer voldoende mensen die zeiden: welke Nederlandse cultuur?
Alsof wij die niet hebben. Alsof er niets de moeite van het bewaren waard is. Alsof het er
niet toe doet, dat wij de bijzonderheid van sommige dichtregels begrijpen zoals niemand,
behalve een volmaakt tweetalige, dat ooit in een andere taal zou kunnen.
Neem nu een strofe als de volgende, van Judith Herzberg, over het plaatje op de
Zwaardemakers rozebotteljam:
Overrompeld, plotseling, door een rozebottelplaatje
op de Zwaardemaker, of nog meer het zonbeschenen blaadje
dat ook op het etiketje staat. Afstanden, met geen
bijl te kraken, zelf niet 's zomers, als de botanische
heus in die hartverscheurende belichting staat.
Gewoner kan het al niet. Dit is niet het soort gedicht waar mensen aan denken als ze met
getuite lippen het woord 'poëzie' uitspreken, hier geen 'drop'lend lover' of een 'lent
van vaerzen', er zingt geen onsterfelijke nachtegaal en 'mijn lief' komt er ook niet in
voor. Een jampot, een etiket, een waarneming.
Maar intussen heeft dit gedicht wel, ongemerkt, die combinatie van woorden aan ons
voorgehouden die we misschien niet zo gemakkelijk zullen vergeten, een paar woorden die op
allerlei momenten ineens het beste uitdrukken wat we zien: iets dat 'in hartverscheurende
belichting' staat. Los van de rest van het gedicht, waarin het begrip 'weewoed' uit de
doeken wordt gedaan wat ook de moeite waard is.
Het lijkt misschien eigenaardig, ja zelfs onnozel, om, als het moet gaan over het belang
van het vak Nederlands op school, met poëzie op de proppen te komen. Weet ik dan niet dat
niemand dat leest. Weet ik dan niet dat dichters heel tevreden mogen zijn als er
vijfhonderd bundels van ze verkocht worden. Weet ik dan niet dat in deze tijd álles er
ongeveer meer toe doet dan poëzie?
Weet ik best. Is niet belangrijk. Dat is allemaal een misverstand. Laat me eerst eens met
instemming een van de opwekkende overdrijvingen van Joseph Brodsky citeren: ,,Als wij ons
van de overige vertegenwoordigers van het dierenrijk onderscheiden door de taal, dan is de
literatuur en in de eerste plaats de poëzie, als hoogste vorm van taalgebruik, grof
gezegd het doel van onze soort."
Eigenlijk is dit voldoende, maar enige toelichting en uitwerking kan nooit kwaad.
Taal is een bril, wordt nogal eens gezegd. Door iets te benoemen maak je het tot dat wat
je zojuist benoemd hebt, je ziet het zoals je het onder woorden gebracht hebt. Iedereen
weet dat, want iedereen maakt gebruik van dat vermogen van taal, door eufemismen te
gebruiken, door beleefdheidsvormen te gebruiken of juist niet, door deftigere of
internationalere, of economisch beter klinkende terminologie te verzinnen, door de
bovenbouw om te dopen in studiehuis, door vers afgestudeerde studenten voortaan bachelors
te noemen en net te doen of ze later ook nog 'masters' kunnen worden. Politici,
bijvoorbeeld, maken zich op een totaal andere manier aan ons bekend wanneer ze zeggen iets
'een betreurenswaardige vergissing' te vinden dan wanneer ze blaten dat 'het toch van de
gekke is dat'. Het is iets heel anders of iemand zegt: ,,Nou, ik heb iets van dat ik best
wel overtuigd ben van mezelf'' of ,,Ik ben een god in 't diepst van mijn gedachten" .
De ernst van de zaak verandert door de manier waarop iets gezegd wordt, soms verandert de
hele zaak zelfs door de manier waarop iets gezegd wordt.
Taal is onze manier om de wereld en onszelf aan elkaar en aan onszelf kenbaar te maken. We
bestaan voor een belangrijk deel uit taal. Zou die ons afgenomen worden, niet alleen het
spraakvermogen maar alle taal, het verstaan, het lezen - we zouden niet meer bestaan op
een manier die we ons voor kunnen stellen.
We zitten gevangen in onze taal, die tekort schiet ('ik wou het helemaal zeggen' dichtte
Herman Gorter, 'maar ik kan het toch niet zeggen') maar die tegelijkertijd het voornaamste
uitdrukkingsmiddel is dat we hebben. Sommige mensen kunnen er veel beter mee overweg dan
andere. Hoe onbeholpen de omgang met de eigen taal ook kan zijn, in geen enkele andere
taal heeft men dezelfde rijkdom aan mogelijkheden als in zijn eigen taal, noch actief,
noch passief, sterker nog, in geen enkele andere taal ís men dezelfde als in de
moedertaal. De taalgebruiker verandert enigszins met de taal. En wat er uitgedrukt wordt
is ook anders, omdat een andere taal andere uitdrukkingsmogelijkheden en voorschriften
heeft. Niet totaal anders, maar wel anders.
Dat dat zo is, laat zich vaak makkelijk demonstreren door de omgekeerde weg te nemen, door
bijvoorbeeld te proberen om een mooi Nederlands gedicht, van Lucebert bijvoorbeeld of van
Gorter, te vertalen in een andere taal. Het plezier van de klank, van de woorden en hoe ze
bij elkaar staan, van een betekenis die niet anders is te zeggen dan zoals het gezegd is,
dat alles is niet over te brengen. Neem deze strofe uit de sensitieve verzen van Gorter:
De zon. De wereld is goud en geel
en alle zonnestralen komen heel
de stille lucht door als engelen.
Haar voetjes hangen te bengelen,
meisjesmondjes blazen gouden fluitjes,
gelipte mondjes lachen goudgeluidjes,
lachmuntjes kletterend op dit marmer,
ik zit en warm m'er.
Probeer dat maar te vertalen. ,,Poëzie is datgene wat verloren gaat in vertaling",
zei de Amerikaanse dichter Robert Frost. Iets raakt weg. Iets dat er in het Nederlands (of
in het Engels, het Russisch of het Swahili) van het oorspronkelijke gedicht wèl is. Dat
iets, daar gaat het om. Het is dat wat voor moedertaalsprekers te herkennen en te
begrijpen is, maar voor een buitenlander moeilijk of niet. Dat iets is daarmee een
verfijning van onze taalmogelijkheden en dus ook van wie we zijn.
Hier roep ik nog een keer het citaat van Brodsky in herinnering: poëzie is de hoogste
vorm van taalgebruik.
Het is waar, dat weet eigenlijk iedereen die wel eens een gedicht leest. De taal wordt
nergens zo tot in de puntjes beproefd op haar mogelijkheden, zo verrassend gecombineerd,
zo veelzeggend en betekenisvol en klankrijk gemaakt als in poëzie.
De engelse dichter T.S. Eliot heeft wel eens geschreven dat de cultuur van een heel land
er zorgwekkend op achteruit zou gaan als er in een land geen poëzie meer geschreven zou
worden. Hij schreef: ,,Poëzie herinnert ons voortdurend aan al die dingen die slechts in
één taal kunnen worden uitgesproken en die onvertaalbaar zijn." Dichters drukken
onder meer persoonlijke gevoelens en emoties uit in een persoonlijk gebruik van de taal
van hun land, zodanig dat wat ze schrijven ook voor sommige anderen, dat wil zeggen voor
diegenen die bereid zijn hun best ervoor te doen, te begrijpen en na te voelen is.
Door zijn gedichten bezorgt de dichter zijn taalgenoten gevoelens of sensaties die ze
eerder nog niet hadden of die ze wel al hadden maar zonder ze uit te kunnen drukken.
Dankzij de dichter bestaan er nu woorden voor datgene wat er gevoeld wordt. Eliot schreef:
,,De veranderingen en ontwikkelingen van een bepaalde sensibiliteit, die eerst beperkt
blijven tot een kleine groep, dringen dan langzamerhand vanzelf in de taal door, dankzij
hun invloed op andere schrijvers die veel vlugger populair worden." En via die
schrijvers wordt die sensibiliteit, verdund misschien, tot gemeengoed. Zo beïnvloedt de
dichter niet alleen de taal van zijn land, maar ook de gedachten en gevoelens in zijn land
en schept hij bovendien de mogelijkheid om die gedachten en gevoelens uit te drukken,
zelfs ook voor diegenen die zijn gedichten nooit gelezen hebben.
We moeten ons daarvan misschien ook weer niet ál te veel van voorstellen, maar toch. Een
goed voorbeeld van wat Eliot bedoelt, is die regel van Lucebert die door een
verzekeringsmaatschappij gebruikt werd: 'Alles van waarde is weerloos'. Je hoort het
iedereen zeggen, het is een besef dat dankzij die dichtregel tot iets heel gewoons is
geworden. Zo zijn er meer dichters die een verfijning of verbijzondering van ons gevoel
teweeg hebben gebracht, of van ons uitdrukkingsvermogen, wat daar zoals gezegd niet altijd
makkelijk van te onderscheiden is. Wie is nooit eens 'domweg gelukkig in de Dapperstraat'
zelfs al is hij in het geheel niet in de Dapperstraat, daar zelfs nog nooit geweest?
Menigeen denkt aan Holland en ziet 'brede rivieren, traag door oneindig laagland gaan',
ook al ziet hij geen rivieren voor zich. Maar dat gedicht drukt wel iets uit over
'Holland' dat menigeen na aan het hart ligt. Wat het uitdrukt is misschien alleen maar
zichzelf, het zijn de bewoordingen waaraan men zich optrekt en hecht. 'Een nieuwe lente en
een nieuw geluid' is bijna tot een cliché geworden en mensen die nooit een dichtbundel
open doen voelen zich soms toch 'een God in het diepst van hun gedachten' of blijken
geboren te zijn 'uit zonnegloren en een zucht van de ziedende zee' (of 'in Apeldoorn en me
zuster in Zierikzee'). Zien we de zee dan klotst zij voort in eindeloze deining en dat
schoonheid in onze tijd haar gezicht heeft verbrand hoef je bijna niemand meer te
vertellen. Ook buiten de kring van poëzielezers om is er veel poëzie te vinden, dat wil
zeggen, van hun gedichten afgedwaalde regels die iedereen kan begrijpen en gebruiken, die
iedereens Nederlands niet alleen, maar ook iedereens voelen, iedereens blik hebben gevormd
en beïnvloed. Op die manier is poëzie in de eigen taal inderdaad machtig, of in ieder
geval: belangrijk.
Maar 'iedereen', een woord dat ik zo makkelijk gebruik, wordt steeds minder iedereen als
er geen enkel poëzie-aanbod is op school. Als we geloven dat al die kinderen die zich een
weg moeten banen door het studiehuis daarna zo snel mogelijk bij een bedrijf moeten
opklimmen tot iemand met een aandelenpakket, en dat de school ervoor is om ze zo goed
mogelijk te leren hoe ze op internet de beursberichten van minuut tot minuut kunnen
volgen, wat moeten ze dan nog met poëzie?
Alles.
En bovendien geloven we niet dat dat het doel van een opleiding is. Op school leer je
behalve nuttige en praktische dingen ook vormende dingen. Zoals gedichten. Onnuttig en
toch belangrijk, onmisbaar om het Nederlands te leren kennen en het Nederlands is de taal
waar we het mee moeten, kunnen, willen en zullen doen - wij zíjn het Nederlands. Ook
degenen die niet van huis uit Nederlands spreken, of misschien juist die, kunnen niet
zonder Nederlandse poëzie. En, derde en laatste keer, poëzie is de hoogste vorm van
taalgebruik, dus poëzie in het Nederlands is het beste wat iemand kan meekrijgen.
Wie zich minder goed kan uitdrukken heeft altijd een achterstand ten opzichte van degenen
die zich goed kunnen uitdrukken, dat is bekend. De laatste tijd kun je weer aldoor in de
kranten lezen dat zelfs het al of niet ingewilligd worden van een verzoek om euthanasie
minder afhankelijk is van de lichamelijke toestand van de patiënt dan van de manier
waarop hij of zij de arts kan overtuigen van zijn of haar doodswens.
Nu komt daar geen poëzie aan te pas, zelfs geen romancitaten. Maar dat wil niet zeggen
dat men daar in allerlei praktische situaties niets aan heeft. Hoe meer het taalgevoel is
ontwikkeld, en hoe meer ook het gevoel, met behulp van de taal, is ontwikkeld, hoe meer
nuances en overwegingen iemand zal kennen en tot uitdrukking zal kunnen brengen.
Dat alles is voor iedereen, voor elke taalgebruiker van belang.
Maar los daarvan. De rijkdom van het Nederlands bestaat voor een belangrijk deel dankzij
de poëzie die erin geschreven is en wordt. En die rijkdom te leren kennen, dat is een van
de mooiste dingen die er is. P.C. Hooft lijkt misschien in eerste instantie vooral dulle
verplichte kost die onwillige leerlingen door de strot geduwd moet worden, maar wie kans
ziet om er met leerlingen wat langer bij stil te staan kan onmogelijk alleen maar
verveelde gezichten tegenover zich vinden. Want ook op je vijftiende weet je heel goed dat
als je zit te wachten tot Zij of Hij komt, de tijd afschuwelijk langzaam gaat, terwijl
diezelfde tijd een spurt neemt als Hij of Zij er eenmaal is. Het kan geen kwaad in dat
wachten te denken aan de gezwinde grijsaard van PC Hooft, de dichter die dit fenomeen
precies en elegant onder woorden heeft gebracht. ,,Maar 't schijnt, verlangen daar zijn
naam van heeft gekregen/ Dat ik den tijd, die ik verkorten wil, verlang."
En als de geliefde er is, wie zou dan niet hopen dat hij bij het afscheid zou kunnen
zeggen: ,,Och mijn hart, hoe raak ik van uw hals?/ Laas de dag en wil niet lijen/ 't
Langer vrijen./ dank heb van uw zachte kusjes en van als." Poëzie geeft de
mogelijkheid om te weten wat je voelt en daar woorden voor te gebruiken. Ook als het oude
poëzie is. Zelfs als je het ironisch zou zeggen.
Maar in de supermarkt is het geen P.C. Hooft maar juist de dichter Mustafa Stitou die het
hoofd inglipt en betekenis geeft aan wat er gebeurt.
Plots geeft iets van Oetker
zich niet prijs en ik zie
de rechtenstudent
van wie de zuivel nog niet is
mompelen
caissiere drie
een gemakkelijk en toegankelijke gedicht (ik citeerde alleen de eerste drie strofes)
dat bij nader inzien toch wel degelijk over van alles gaat.
Niets is oninteressant en oppervlakkig van zichzelf, hooguit zijn wij oninteressant en
oppervlakkig. De bril van de taal en meer bijzonder van het gedicht geeft een andere kijk
op de werkelijkheid.
Wie kinderen en jongeren poëzie onthoudt doet feitelijk iets misdadigs. Niet alleen
onthoudt hij ze het beste en mooiste wat onze taal heeft voortgebracht, hij snijdt ze ook
af van sommige sensaties en bewoordingen, hij maakt hen èn het Nederlands armer. Het is
geen snobisme om te willen dat kinderen gedichten uit hun hoofd leren. Het is liefde. Voor
de leerlingen èn voor de taal, voor de poëzie en voor de mens.
|